Datering
Vervaardiger Jan Wolthers

Balansbruggetje

De balansbrug bij de Kerkbuurt in het verlengde van de Langewijk is na 1945 gebouwd. De twee hoge huizen zijn gebouwd in 1909. Moderne bouw op achtergrond.

Identificatie
Titel
Balansbruggetje
Objectnummer
F005478
Objectcategorie
Fotocollectie
Objecttype
  • foto
    Niet bewegende afbeeldingen vervaardigd met van stralingsgevoelige materialen (gevoelig voor licht, elektronenstralen of nucleaire straling), met uitzondering van reproductieve afdrukken van documenten en technische tekeningen. Gebruik daarvoor termen, die bijeengebracht zijn onder 'reprografische kopieën'. Foto's kunnen positief of negatief zijn, ondoorschijnend of transparant (in vaktermen: opzicht of doorzicht).
Over
Trefwoorden
  • brug (bouwwerk)
    Vaste of beweegbare verbinding voor het verkeer tussen twee punten die door water, een kloof, dal of lage weg van elkaar zijn gescheiden. Materiaal: hout, steen, ijzer, staal of gewapend beton.Houten bruggen zijn vast of beweegbaar. De vaste bruggen bestaan uit een op balken getimmerd en van leuningen voorzien plankier dat, naarmate de spanwijdte groter is, door meer jukken ondersteund wordt: balk- of liggerbrug. Om het mogelijk te maken dat een schip een dergelijke brug doorvaart zonder dat de mast gestreken hoeft te worden, werd er soms een (zie) oorgat in gemaakt.Ter bescherming tegen weersinvloeden, ook als defensiemiddel, werden bruggen soms overdekt (c. 1300 Doornik; 1333 Luzern, XVI Bern).Tot de beweegbare bruggen behoren:–#klap- of ophaalbrug. Hierbij is het dek, de val of klap, aan één zijde scharnierend opgehangen. De klap kan worden opgehaald en neergelaten. De oudste vorm is te vinden aan burcht- en vestingpoorten. De klap wordt met kettingen, die over katrollen lopen, van binnen uit de poort opgehaald en fungeert dan tegelijk als afsluiting van de poortopening. Bij een latere vorm die zowel aan poorten als vrijstaand voorkomt, hangt de klap met kettingen aan de uiteinden van sprieten, die op de poortmuur of op een (zie) hameipoort liggen en aan de andere zijde verbonden zijn door een tegenwicht. Het geheel ligt in balans.–#draaibrug. Deze draait horizontaal. Het draaipunt ligt op ongeveer een derde van de lengte van de brug. De achterzijde is ook hier verzwaard. –#rolbrug. Deze wordt op rollen horizontaal over de opening geschoven.Bij stenen bruggen wordt het wegdek gedragen door één of meer bogen. De Romeinen waren de eersten die booggewelven voor bruggenbouw gebruikten. Bij (zie) aquaducten komen overspanningen voor tot c. 30 m. Uit 1185 dateert de brug van Avignon, die ellipsbogen heeft. Hier en elders gaf men de pijlers aan de zijde van waar het water komt een wigvormige uitbouw om de stroom te breken. Sinds XIII krijgen de bogen soms de spitse vorm, vooral in Spanje en Zuid-Frankrijk (Moorse invloed). Later kwam de vorm van de korf- en de segmentboog. De middelste boog is vaak breder dan de andere en de bogen klimmen, zodat het brugdek naar het midden stijgt. De rondbogige doorgang blijft door alle tijden toegepast. In een boog aan een van de oeverzijden bracht men wel eens schepraderen aan om een molen te drijven. Op de brug is soms een kapelletje voor de schutspatroon, elders een beeld van de ‘bruggenheilige’ Johannes Nepomuk (die in 1393 in Praag van de Karelsbrug in de Moldau werd geworpen). In het m.e. gesloten stadsbeeld past de brug die met (deels over het water hangende) huizen is bebouwd: Ponte Vecchio te Florence, Rialto-brug te Venetië, Pont au Change en Pont Notre Dame in Parijs, High Bridge te Lincoln.Bij sommige kastelen in Utrecht treft men in XVII een brug aan met een loopvlak boven en onder, (zie) Utrechtse brug.De defensie van een belangrijke rivierovergang bestond uit de plaatsing van een toren met poortdoorgangen op de bruggenhoofden of midden op de brug. Aan de veldzijde werd een (zie) barbacane voorgeschoven. Voorb.: Cahors (1308), Loirebrug bij Tours, Donaubrug te Regensburg (c. 1140). De Maasbrug te Maastricht had oorspr. op elk hoofd een vierkante toren en haar meest oostelijke boog was tot 1827 van hout, dus makkelijk te verwijderen. Het stadsbeeld van vele steden in de Nederlanden wordt bepaald door de stenen boogbruggen: Alkmaar, Amsterdam, Brugge, Delft, Leeuwarden, Leiden, Utrecht. De beperkte doorvaartmogelijkheid maakte soms een afwisseling met ophaalbruggen nodig.De brug kan ook opgehangen worden aan kabels of kettingen aan twee hoofdjukken aan de uiteinden, hangbrug. Sedert XXb wordt van deze techniek veelvuldig gebruik gemaakt voor grote verkeersbruggen in staal en beton.De Iron Bridge bij Coalbrookdale in Engeland (1779) was de eerste boogbrug die in ijzer werd geconstrueerd. Sedertdien zijn talrijke bruggen in giet- en smeedijzer, staal en in gewapend beton gebouwd. Hieronder behoren basculebruggen (met een tegengewicht aan de achterzijde van de klap) en hefbruggen, waarbij het brugdek tussen vier torens omhoog wordt gehesen.Niet geheel aan de definitie die aan het begin is gegeven, voldoet de (zie) luchtbrug, een verbinding tussen de verdieping van twee afzonderlijke gebouwen of vleugels. Voorb.: overdekte gang tussen slot en Hofkirche te Dresden (XVIII), de Brug der Zuchten tussen het Dogenpaleis en de naastgelegen gevangenis te Venetië. (Haslinghuis)
  • houten huis
    Bouwwerk dat tot woning van mensen dient, woonhuis of boerenhuis. In Zuid-Europa kenden de Grieken en Romeinen reeds voor onze jaartelling een hoogontwikkelde wooncultuur, met huizen die zowel in horizontale als verticale zin zeer uitgebreid waren. Men kan dit in de in 79 n.C. bedolven steden Pompei en Herculaneum waarnemen. Ook elders in de door de Romeinen beheerste gebieden zijn dergelijke woonhuizen opgegraven. De invloed op de indeling van de West-Europese woning is vrijwel nihil, aangezien zowel de klimatologische als geografische omstandigheden te veel verschillen. Het oudste type uit de prehistorie in Noordwest-Europa, dat bij opgravingen werd blootgelegd, is het hallenhuis. In deze ongedeelde ruimte, in hoofdzaak van hout opgetrokken, lag in de vloer een open stookplaats. De rook trok over de zolder door een gat in het dak naar buiten. Dit type wordt aangeduid als rookhuis. Het verdwijnt in de Nederlandse steden rond 1400 i.v.m. voorschriften tegen brandgevaar. Op het platteland bleef deze vorm langer in gebruik. Soms werd er voor geld en goederen achter een steenhuis toegevoegd. Stadsbesturen vaardigden keuren uit waarin stenen rookkanalen werden voorgeschreven. Toen werd het mogelijk de zolderruimten voor wonen te gebruiken en twee of meer verdiepingen te maken. In de steden bestond daartoe de noodzaak door de grote behoefte aan vloeroppervlak en het beperkte terrein dat beschikbaar was. Er treedt een onderverdeling in ruimten op: voorhuis, binnenhaard, achterhuis. Op de begane grond bevonden zich vaak bedrijfsruimten. De zolders werden ook voor opslag gebruikt ( koopmanshuis). Als er in een stad nog ruimte genoeg beschikbaar was, werden de huizen met de lange zijde langs de straten gebouwd (breed huis). Als de ruimte beperkt was, werd over het algemeen gebouwd met de korte zijde aan de straat, dus de nokrichting loodrecht op de straat (diep huis). De plattegrond was in hoofdzaak rechthoekig. Soms bouwde men een zijkamer. Bij gebrek aan ruimte ontstond later vaak een achterhuis, van de hoofdmassa gescheiden door een binnenplaats en ermee verbonden door een gang. Op het platteland bleef het woonhuis in hoofdzaak één laag met een zolder.In de steden werden ook veel stenen huizen gebouwd, vooral in het oostelijke deel van Nederland en daarbuiten, waar de bodem een dergelijk zwaar bouwwerk toeliet. De welstand van de eigenaar was eraan af te lezen. De beschikbaarheid van goede steen was mede een voorwaarde. Bij stenen huizen berust de stabiliteit op de steenconstructie. Verticale krachten worden door steen overgebracht. Bij houten huizen berust de stabiliteit op het samenstel van stijlen, balken, schoren en regels, het (zie) houtskelet. In de late M.e. werd uit overwegingen van brandveiligheid voorgeschreven dat de zijmuren van huizen van steen moesten zijn. Toen bleef het skelet nog het dragende element. In veel streken van Europa is het houten huis, vaak uitgevoerd in vakwerk, de meest gebruikelijke bouwwijze geweest.In de M.e. nam het versterkte huis in veel steden een belangrijke plaats in. Wegens de geringe ruimte binnen de stadsmuren beperkten de bouwkundige weermiddelen zich tot poorten, torens met schietgaten en gekanteelde muren, al dan niet met een weergang. Zulke adellijke stadshuizen kwamen reeds vroeg in Italië voor (geslachtstoren). In noordelijker landen zijn de overblijfselen van deze stenen huizen schaarser, in Nederland o.a. in Utrecht.In XIX ontstond door de bevolkingsgroei, de opeenhoping van arbeiders en de duurte van de bouwgrond het type boven- en benedenhuis, in gelijkvormige reeksen gebouwde huizen. Reeds vroeger waren die toegepast bij van overheidswege ontworpen stadsaanleg, ook in Amsterdam bij de uitbreiding van 1670 in de Looiers- en Weteringdwarsstraten. In Nederland hebben de Amsterdamse school en haar uitlopers veel gedaan om het troosteloze aan deze bouwvorm te ontnemen. Reeds vroeger waren in Engeland gemoedelijke, in groen gelegen burgerwoningen ontworpen door Norman Shaw c.s. (Bedford Park in Londen, c. 1880). De meest moderne gedaante van het stadshuis is tenslotte de uit de Verenigde Staten overgekomen ‘flat’woning. In de moderne tijd deed vooral gewapend beton als bouwmateriaal zijn intrede. Voor niet dragende geveldelen wordt vaak gebruik gemaakt van staal, aluminium en glas. (Haslinghuis)
  • woonhuis
    Woonhuizen zijn huizen waarin gewoond wordt.
Vervaardiging
Vervaardiger
  1. Jan Wolthers
Datering
Verwerving en licentie
Verworven
opdracht
Copyright
BY-SA
Locaties
  • Marken

Trefwoorden